Het vangen

Op ambachtelijke wijze eenden vangen met een eendenkooi
Het principe van het vangen is op alle (typen) eendenkooien hetzelfde. De kooiker probeert wilde eendvogels de vangpijp in te lokken om vervolgens te proberen ze in het eind van de vangpijp te krijgen. Bij het vanghokje wordt een klep dicht getrokken waarna de vogels zijn gevangen. 
Het vakmanschap van eenden vangen op een eendenkooi komt vooral tot uiting bij het de vangpijp in lokken van eenden.  Er zijn 2 verschillende manieren waarop kooikers proberen eenden de vangpijp in te lokken: met kooihond en zonder kooihond.

Vangen zonder kooihond
Sommige kooikers proberen wilde eenden de vangpijp in te lokken met voer en de aanwezigheid van de makke (stal)eenden. De kooiker gaat naar de vangpijp waarvoor de wind goed staat en fluit in de regel zachtjes waardoor de makke voereenden weten dat er voer in de vangpijp gestrooid gaat worden.

De makke stal, ook wel voereenden genoemd, is onlosmakelijk verbonden met een eendenkooi. Zonder makke stal kan een eendenkooi niet functioneren. De makke stal bestaat uit enkele tientallen tot enkele honderden eenden die de kooiker dagelijks voert in een of meerdere vangpijpen. Ze zijn gewend aan de kooiker en schrikken niet van zijn verschijning.

 

De wilde eend (als soort) is snel geneigd zich tussen de makke eenden te begeven om een graantje mee te pikken. Ze worden de vangpijp ingelokt met voer en hun makke soortgenoten. Door kijkgaatjes in de rietschermen volgt de kooiker wat er in de vangpijp gebeurt. 
kijkgatZiet hij dat er wilde eendvogels in de vangpijp zijn, dan begeeft de kooiker zich naar eerste opening tussen de kortschermen aan het begin van de vangpijp. Daar komt hij in het zicht van de eenden in de vangpijp. De wilde eendvogels schrikken van deze plotselinge verschijning en vliegen (tegen de wind in) van de kooiker vandaan verder de vangpijp in.

De makke stal is gewend aan de kooiker en trekt zich niets aan van zijn verschijning en blijft gewoon doorgaan met opslobberen van het in de vangpijp gestrooide voer. Door de openingen tussen de kortschermen blijft de kooiker in het zicht van de wilde eendvogels in de vangpijp en door zijn verschijning probeert hij ze verder de vangpijp in te krijgen. Soms vliegen ze in één keer naar het eind van de vangpijp, maar dikwijls blijven ze halfweg de vangpijp ‘hangen’. Het gebeurt nogal eens dat ze terug naar de kooiplas vliegen. De kooiker kan niet veel meer dan bewegingen maken om de wilde eendvogels verder de vangpijp te krijgen. Het gehele vangproces dient immers in stilte plaats te vinden zodat eenden op de kooiplas niet verontrust worden. 

Sommige kooikers voeren kroos en/of zaden die op het water drijven. Een eendenkooi met een aantal makke smienten in de makke stal vangen dikwijls op deze wijze. Smienten eten graag gras en kroos. Enkele makke smienten die in de vangpijp foerageren op het kroos, gras of drijvend zaad, trekken wilde soortgenoten aan. Eenmaal in de vangpijp probeert de kooiker ze in het eind van de vangpijp te krijgen. Een makke stal opbouwen met smienten en/of andere blauwgoedsoorten is echter geen gemakkelijke opgave. Lang niet op alle kooien komen blauwgoedsoorten in redelijke aantallen voor. Daarnaast moet een kooiker nog maar zien ze te vangen, wat wettelijk gezien voor deze soorten alleen is toegestaan voor onderzoeksdoeleinden. Een kooiker dient dan in bezit te zijn van een onderzoekvergunning die hem de mogelijkheid biedt blauwgoedsoorten onder zich te hebben als lokvogels. 
Het vangen met behulp van voer en makke eenden is behoorlijk tijdrovend. De kooiker dient immers door de kijkgaten te volgen of er wilde eendvogels in de vangpijp zitten. Een andere mogelijkheid die vaak wordt toegepast, is dat hij in meerdere vangpijpen tegelijk de makke stal voert. Na enige tijd kan hij zich laten zien bij de eerste opening tussen de kortschermen. In geval er wilde eendvogels in de vangpijp zitten, probeert de kooiker ze in het eind van de vangpijp te krijgen. Vervolgens gaat hij naar de andere vangpijpen waarin hij voer heeft gestrooid. 

Vangen met behulp van een kooihond

Een andere manier om wilde eendvogels de vangpijp in te lokken, is met behulp van een kooihond. Deze wijze om eenden te vangen met een eendenkooi werd op veel kooien traditioneel toegepast.
De functie van het kooihondje is wilde eend

vogels de vangpijp in te lokken. Daarvoor is aan het begin van de vangpijp laag bij de grond een opening in het rietscherm gemaakt waar de kooihond doorheen kan. Vóór dat gat staat meestal een klein schermpje, zodat de eenden op de kooiplas de activiteiten achter het scherm niet kunnen zien. De kooiker stuurt het kooihondje door het gat, zodat het hondje aan het begin van de vangpijp vol in het zicht komt van de eenden op de kooiplas. De wilde eendvogels reageren direct op het verschijnen van de hond, waardoor er even beroering op de kooiplas ontstaat. De makke stal weet dat er gevoerd zal worden en zwemt of vliegt, vaak met veel gesnater en gekwaak, naar de vangpijp waar de hond verscheen. De vliegstal trekt zich niets aan van de hond en blijft op haar plek zitten, slapend of veren poetsend.

De vliegstal bestaat uit eenden die voor de rust naar de kooi komen en er de dag doorbrengen. Ze reageren niet op het fluiten van de kooiker, noch op het voer dat de kooiker in de vangpijp strooit, noch op de kooihond. De kooiker noemt ze ook wel ‘afgekooide vogels’. Er zijn kooien met enkele honderden tot soms wel duizenden smienten en talingen die tot de vliegstal behoren. Het is vooral de vliegstal die nieuwe wilde soortgenoten meebrengt naar de kooi. In de avondschemering vliegen ze naar voedselgebieden in de omgeving van de kooi. Als de vliegstal met het ochtendgloren terug naar de kooi vliegt, nemen ze trekkende soortgenoten mee naar de kooi.

 

De wilde eendvogels op de kooiplas voelen zich wél aangetrokken door de hond. Het kooihondje loopt vervolgens vol in het zicht van de eenden langs de binnenzijde van de schermen de vangpijp in. Meestal bevindt zich halverwege de vangpijp een openingen waar het hondje de vangpijp uit kan. De kooikers posteert zich bij dat scherm dat ook wel ‘het kooischerm’ wordt genoemd. Door een kijkgat in het scherm volgt de kooiker wat er in de vangpijp gebeurt. Hij laat het kooihondje steeds een rondje rond het kooischerm lopen. De wilde eendvogels worden, geobsedeerd door de hond die steeds weer verdwijnt en weer in het zicht komt, verder de vangpijp ingelokt. Als het de kooiker lukt de wilde eendvogels voldoende ver in de vangpijp in te lokken, sluipt hij naar het begin van de vangpijp om te verschijnen bij de eerste opening tussen de kortschermen. De makke stal in de vangpijp trekt zich niets van de kooiker aan, maar de wilde eendvogels schrikken en vliegen op (tegen de wind in) weg van de kooiker verder de vangpijp in. Het proces verloopt verder hetzelfde als eerder beschreven.

De rol van het hondje is de wilde eendvogels de vangpijp in te lokken. Het moment is daarbij bepalend. Vooraf is niet voorspelbaar hoe wilde eendvogels op de hond zullen reageren. Soms trekken wilde eendvogels zich niets van de hond aan en soms zijn ze geheel geobsedeerd door de hond. Kooikers zien ook verschillen tussen de verschillende blauwgoedsoorten. Slobeenden reageren in de regel niet op de hond, evenals duikeenden. Smienten, pijlstaarten en talingen reageren in de regel goed op de hond. Een kooikers spreekt dan dat ze ‘geef zijn’. Zomertalingen en Nijlganzen zijn soorten die vrijwel altijd ‘geef zijn’ op de kooihond.

In principe kan met elke hond gekooid worden, waarbij opgemerkt dat er verschil is in aantrekkingskracht die verschillende honden op eenden hebben. Zoals eerder aangegeven is daarbij vooral ook het moment bepalend. Zwart gekleurde honden worden over het algemeen niet gebruikt evenals honden met een groot formaat. Grote honden vergen grote gaten in de schermen, wat in verband met het ‘blind zijn’ niet handig is op een eendenkooi. ‘Blind zijn’ houdt in dat de kooiker ten alle tijden niet zichtbaar is voor eenden op de kooiplas.

 

De generatie kooikers die voor hun kostwinning deels afhankelijk was van een eendenkooi, werd gekenmerkt door een grote gedrevenheid een eend te vangen. 

vanghok

Begrijpelijk, gegeven dat het hun kostwinning betrof. Als er wilde eendvogels op de kooi waren, probeerden ze van alles uit deze te vangen. Vaak gebruikten ze meerdere kooihonden die qua uiterlijk verschilden. Wat met de ene hond niet lukte, ging vaak wel met de andere. Soms werd een bos gras of een krant aan de staart van de hond geboden om wilde eendvogels toch te verleiden. Soms werd een gekleurde doek om de kooihond gebonden. Ook hokten ze smienten en pijlstaarten op in het makhok met als doel deze mak te maken. Als deze weer werden losgelaten op de kooiplas, kenden ze het voeren en maakten ze deel uit van de makke stal. Met gras, kroos en drijvende zaden en een aantal makke smienten en/of pijlstaarten werden hun wilde soortgenoten gevangen.Essentieel op een eendenkooi is dat het vangen in alle rust moet kunnen plaatsvinden. Wilde eendvogels zijn schuw en makkelijk te verjagen. Om zelf geen verstorende factor te zijn, namen kooikers vaak een smeulende turf met zich mee. De geur die de smeulende turf verspreidt, maskeert de menselijke geur van de kooiker. Wetenschappelijk wordt dit bestreden, daar vogels niet zouden kunnen ruiken. Kooikers hebben echter een geheel andere ervaring. Er zijn nog steeds kooikers die in het winterseizoen bij het vangen een smeulende turf bij zich hebben. Er zijn ook kooikers die tijdens het vangen altijd dezelfde jas dragen omdat de makke stal daaraan gewend is.

Is een eend eenmaal gevangen door de klep aan het eind van de vangpijp dicht te trekken, is een kooiker wettelijk verplicht de gevangen eend terstond te doden óf los te laten. In geval het een wilde eend betreft, mag deze gedood worden in de periode van 15 augustus tot en met 31 januari. Het doden gebeurt door de nek zo te knikken, dat de vogel direct dood is. De vogel zal dan vaak nog stuiptrekkingen vertonen. Daarom werd veelal bij het vanghokje een zogenaamde spartelkorf geplaatst, waarin de gedode eend werd gelegd. Voor het doden van gevangen wilde eenden dient de kooiker in het bezit te zijn van het wettelijke diploma ‘gebruik van een eendenkooi’. 

 


Overige soorten gevangen vogels dienen terstond losgelaten te worden. Als een kooiker in het bezit is van een ringmachtiging mogen gevangen eenden geringd worden. In verband met de ringadministratie vindt het ringen meestal plaats in het kooihuisje. 

 

 

extraSmallDevice
smallDevice
mediumDevice
largeDevice