We zijn op bezoek op Wieringen bij Jan en Lilian Slijkerman de trotse bezitters van de Slijkerman Kooi.
Jan is de tweede generatie Slijkerman die kooit op deze kooi.
Op 14 augustus 1676 kreeg Jan Cornelisz Broers van de Gravelijkheidsrekenkamer toestemming om vogelkoij aan te leggen in de Hoelemer Koogh. De kooi ging door vererving over naar zijn kleinzoon die zijn naam veranderde in Koijman, later werd dit Kooijman. De kooi blijft lang in de familie tot in 1944 Cornelis Jansz Kooijman bij werkzaamheden op de kooi onder een omvallende boom terecht komt en aan zijn verwondingen overlijd. J.P. Slijkerman, de vader van Jan, huurt de kooi van de weduwe van Cornelis en zij verkoopt in 1949 de kooi aan hem.
De kooi had op dat moment 7 vangpijpen, maar iedere pijp vraagt onderhoud en besloten wordt om deze 7e pijp niet meer te gebruiken. De kooi heeft dus nu 6 vangpijpen van 40 à 50 meter en zijn van het Noord-Hollands model.
De palen en leggers waren van iepenhout dat talrijk aanwezig is in het kooibos. Voor de liggers wordt er tegenwoordig gebruik gemaakt van ijzeren pijpen. Aan het begin van de vangpijp staat een stukje blindscherm met daarachter aan de binnenzijde van de pijp een aantal kortschermen.
Na de kortschermen maakt de pijp een flauwe bocht en is aan de binnenzijde een extra scherm geplaatst om na de bocht het zicht op de plas te ontnemen.
De vangpijp is verder aan beide zijden gesloten d.m.v. riet, aan het einde van de pijp de spiegel die extra schuin is geplaatst, uitmondend in het schuin geplaatste vanghokje. Van belang is om de begroeiing aan het einde van de pijp open te houden zodat het einde goed in het licht staat.
In eerste aanleg kwam het riet van een klein perceel waar voldoende riet was voor het onderhoud van de kooi. Later werd er op de nodige percelen riet gewonnen dat een belangrijke inkomsten bron werd. Het riet werd verkocht aan rietdekkers en soms ging Jan zelf het dak op om rieten daken aan te leggen of te onderhouden. Eerst werd het riet gesneden met de hand maar door de latere hoeveelheden werd het mechanisch gedaan en weer later werden loonbedrijven ingeschakeld om het riet te oogsten. Het zuiveren en opbinden van de bossen was een karwei waar Jan en Lilian nauw in samenwerkten, eerst in de openlucht maar later in de achter hun huis gebouwde grote schuur. In perioden dat Jan erg druk met het riet was, ging Lilian naar de kooi om te voeren en te vangen.
Zowel de vangpijpen als de kooiplas is voorzien van een beschoeiing. In eerste aanleg waren dat planken, in de vijftiger jaren werden die vervangen door eterniet golfplaten.
Inmiddels is bekend wat asbest kan veroorzaken en bij het opknappen van de kooi in het kader van de Kongsi zijn de golfplaten verwijderd en werd weer gekozen voor planken. Onder de waterlijn werd dit vurenhout (1 plank) en daarboven werden drie planken van Robiniahout geplaatst. De levensduur van deze constructie wordt geschat op 10 jaar, dus Jan denkt al na hoe dit straks moet worden gemaakt. Hij denkt daarbij aan dun groen damwand profiel.
Het kooien heeft Jan steeds gedaan met de hond, maar na het overlijden van de laatste hond, vier jaar geleden, werd besloten om geen nieuwe kooihond op te leiden. De kooi is een typische zomerkooi. De grote vangsten zijn hoofdzakelijk in augustus en september en bestaat eigenlijk alleen maar uit wilde eend. Blauwgoed komt nauwelijks op de plas en wordt alleen gevangen voor bemonstering. Voor het blauwgoed en later in het vangseizoen de vrouwtjes wilde eend wordt gebruik gemaakt van een kleinere maat wattenstaaf omdat zij levend bemonsterd worden en hun keel en cloaca anders misschien geïrriteerd/beschadigd worden door de grote wattenstaaf. Na de bemonstering wordt het blauwgoed en de vrouwtjes wilde eend weer vrij gelaten (met een merkje van watervaste stift onder de vleugel). De monsters worden opgestuurd naar de Erasmus Universiteit voor het onderzoek naar vogelgriep en andere virussen. De vrouwtjes die later in het seizoen worden gevangen worden na de bemonstering weer los gelaten om de verhouding woerden/vrouwtjes, die al jaren landelijk helemaal zoek is, weer enigszins op peil te krijgen.
Tot 2002 begon het vangseizoen op 24 juli, daarna werd het 15 augustus met de inwerkingtreding van de Flora- en Faunawet.
Soms werden er wel trekeenden gevangen, meestal zaten die drie of vier dagen op de kooi. De trekeenden waren duidelijk minder vet, scheelde 3 soms vier ons en waren na het slachten herkenbaar aan het rode velletje vanwege minder voedsel en minder vet.
Van de gevangen eenden gaan hoofdzakelijk de woerden voor de bout. Voor het op peil houden van de makkestal worden een aantal vrouwtjes in het makhok gezet en 5 à 6 weken dagelijks gevoerd en gaan daarna naar de kooiplas. Jan maakt gebruik van bladriet korven en hangt er zo’n 35 op in de bomen van het kooibos, op staken in de kooiplas en in de vangpijpen aan de schermen.
De eenden met pullen blijven niet op de kooi maar zoeken bescherming in de sloten in de omgeving waar nog voldoende riet staat ter bescherming.
De vangsten lopen steeds verder terug en zijn steeds onzeker hetgeen de afzet van de eenden verder beperkt. Restaurants en poeliers houden van leverzekerheid en dat is met de huidige aantallen niet te garanderen. Naast het kooibedrijf en de riethandel was er de activiteit met bollen, voornamelijk sneeuw- lente- en zomerklokjes. In het verleden werden er ook veel sneeuwklokjes gesneden. Veel van de bollen waren bestemd voor de export. Nu worden er ’s winters nog, als hobby, wat sneeuwklokjes verkocht voor in de tuinen.
Over de toekomst van de kooi zijn Jan en Lilian wat somber, geen van de kinderen heeft interesse in het kooikersvak en de afname in het aantal gevangen eenden maakt het er niet beter op.